In vroeger tijden was het verplicht minimaal 10 ‘stellingen’ toe te voegen in een dissertatie. De stellingen moesten wetenschappelijke onderwerpen betreffen maar niet direct op het proefschrift betrekking hebben. Hiermee kon de promovendus aantonen dat zijn wetenschappelijke belangstelling verder reikt dan alleen het onderwerp van het proefschrift (daar is nu natuurlijk geen tijd meer voor), maar stelden opponenten die niet de gelegenheid hadden gehad het uiterst technische geweld van het proefschrift in zich op te nemen, ook in staat om interessante vragen te stellen.
De Nobelprijs voor Scheikunde van 2014 ging naar E. Betzig, S.W. Hell en W.E. Moerner voor de ontwikkeling van super-resolutie fluorescentiemicroscopie.
We lezen in de officiële toelichting van de Kungl. Vetenskapsakademien dat de gebruikelijke formule voor het oplossend vermogen van een microscoop luidt: Δ = λ / 2n sin α ; in 1992 werd door Bobroff, en in 2002 door Webb, benadrukt dat die formule kan worden verbeterd: Δmin = λ / (2n sin α√N ), waar N het aantal gebruikte fotonen is. In de jaren 2002 – 2006 werd de hoge resolutie fluorescentiemicroscopie ontwikkeld waar deze formule op van toepassing is.
Stelling 8 van mijn proefschrift (1972) luidde: “De onzekerheidsrelatie Δx ≈ λ in de optika is niet algemeen geldig indien de waarneming met veel meer dan een foton wordt gedaan. Zij moet dan worden vervangen door Δx ≈ λ / √N, waarin N het aantal fotonen is dat nodig is voor de waarneming. In de microscopie kan men in principe hiervan gebruik maken.” (De factor 2n sin α is in deze discussie minder belangrijk)
Het spreekt vanzelf dat ik geen idee had hoe deze vaststelling in de praktijk zou kunnen worden toegepast; dit is wat de Nobel laureaten van 2014 hebben ontdekt.